Restauratie plint van het Stadhuis Antwerpen

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
De rode marmer uit de groeve van Beauchâteau die op de plint van de gevel van het Stadhuis van Antwerpen is toegepast, vertoonde schade. Hele stukken waren losgekomen en andere stenen vertoonden kleinere en grotere scheuren. De schade aan de stenen was in de loop der jaren aangepakt met behulp van een veelheid aan verschillende reparatie­materialen. Het resultaat was een lappendeken van herstelingrepen. Om de plint van de gevel weer terug te brengen naar de ­oorspronkelijke uitstraling en sterkte, heeft een consortium van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-IRPA), Group Monument en Studiebureau De Clercq onderzoek gedaan naar de perfecte opvulling voor de beschadigingen. Het resultaat was een toepassing van een combinatie van restauratie­technieken, een gevalletje ‘mazzel hebben’ én een primeur.

Het Stadhuis van Antwerpen op de Grote Markt is een ontwerp van architect Cornelis Floris De Vriendt. De bouw begon in 1561 en in 1564 werd het gebouw feestelijk geopend. Zo’n twaalf jaar later ging het dak en het interieur compleet verloren bij een brand die door soldaten van de Spaanse koning was aangestoken. Er werd direct met de heropbouw begonnen en in 1580 was het stadhuis weer als nieuw. Het duurde tot de negentiende eeuw tot het stadhuis grondig werd gerenoveerd. Dit was noodzakelijk vanwege de economische heropleving van de stad Antwerpen en de enorme bevolkingsgroei. Tijdens deze renovatie werd de complete buitengevel vervangen. Hierbij werd in de plint een rode marmersoort toegepast. 

Lappendeken Stadhuis Antwerpen

Deze marmer vertoonde in de jaren zeventig van de vorige eeuw scheuren. Ook waren hele stukken steen afgebrokkeld. In die tijd en in de jaren tachtig van de vorige eeuw werden de holtes en de scheuren opgevuld met veelheid aan reparatiespeciën, variërend van mengsels met cement tot epoxy, aangevuld met kleine en grote brokken marmer. Hierdoor ontstond een lappendeken van reparaties. Na ruim veertig jaar zijn de vullingen op veel plaatsen los gekomen en aan vervanging toe. De oorzaak van deze schadevorming werd na een vooronderzoek van de restauratie bepaald, vertelt Freya Joukes van Group Monument. “Uit het onderzoek bleek dat de oorzaak van de afbrokkeling te wijten was aan de aanwezigheid van kleirijke lagen in de steen, die een grotere hygrische uitzetting vertonen dan het omliggende materiaal. Dit zorgde voor grote interne spanningen in de steen bij veranderende vochtigheidsgraad door regen en vorst. Uiteindelijk leidde dit tot breuk in de steen.”

Marmersoort 

Om te bepalen hoe de marmer het beste kon worden gerestaureerd, was eerst onderzoek nodig naar welke marmersoort het betrof. Dit werd onder andere uitgevoerd door bouwhistoricus Lode De Clercq van Studiebureau De Clercq uit Antwerpen. “Voor de bouw van het stadhuis werden materialen uit verschillende windstreken gebruikt”, begint De Clercq zijn uitleg. “Dat was heel bijzonder in die tijd. De unieke ligging van Antwerpen aan de Schelde heeft daar alles mee te maken. Maar het rode marmer dat voor de gevel gebruikt werd, is wel helemaal Belgisch.” Om dat te achterhalen, nam Lode De Clercq enkele monsters van de steen onder de loep. “Dankzij een combinatie van microscopisch, macroscopisch en archiefonderzoek ontdekten we dat de blokken rode rustica, gebruikt voor de renovatie in de negentiende eeuw, ontgonnen werden in de groeve Beauchâteau te Senzeilles bij Philippeville. Die marmergroeven zijn er nog, maar ze mogen niet meer worden geëxploiteerd. Voor deze renovatie moesten we dus op zoek naar andere groeven, met een vergelijkbare marmer.” 

Restauratiemortel

Voor alle ondiepe en kleine beschadigingen van de marmer in de plint is besloten voor een plastisch herstel met behulp van restauratiemortel op basis van zinkoxide. “In de mortelmassa hebben we getracht de kleuren en de tekening van de marmer te imiteren. Voor deze restauratietechniek hebben we een protocol opgesteld op basis van een stappenplan”, legt Joukes uit. Stap 1 bestond uit het verwijderen van de oude herstelmortels met behulp van spatels, scalpels of fijne beitels, vervolgt zij de uitleg. “Daarna moest de gevel met behulp van verzadigde stoom en doeken worden gereinigd. Omdat de mortelinvullingen na uitharding glad geschuurd moesten worden, moest het oppervlak voor het aanbrengen van de mortel ook worden geschuurd om de juiste kleur van de mortel te kunnen bepalen. Dit moest stapsgewijs worden gedaan met korrel 60, 120, oplopend tot 240. De vierde stap bestond uit een hydrofoberende behandeling van de kleihoudende tussenlaagjes. Met behulp van een penseel moest een waterwerend product op basis van oligomere siloxanen op deze laagjes aangebracht. Vervolgens moest de herstelmortel worden aangebracht. Het plan was dat de mortel in vijf verschillende kleuren moest worden aangemaakt. Deze kleuren zouden bij het aanbrengen in de holtes met een spatel door elkaar worden gemengd om de marmertekening te imiteren. Na het uitharden van de mortel moest het hele oppervlak opnieuw worden geschuurd en gepolijst. Hierna zou de vierde stap van het stappenplan – de hydrofoberende behandeling – opnieuw moeten worden uitgevoerd, waarna het oppervlak werd voorzien van een antigraffittilaag.”

In de praktijk bleek dat het stappenplan toch te complex was. Er werd gekozen voor een eenvoudigere uitvoering, aldus Joukes. “Alle kleine schades zijn ingevuld met dezelfde zinkoxidemortel, maar zonder deze in verschillende kleuren aan te brengen en te vermengen tot de gewenste marmerimitatie. Elke lacune is gevuld met een éénkleurige mortel, al zijn er op de gevel vier verschillende tinten toegepast. Na uitharding is op elke mortelinvulling met silicaatverf de marmertekening geschilderd. Op die manier sluit die toch aan bij de tekening van het echte marmer”, vertelt Schotte. 

Vervangstenen

Om de diepe holtes en scheuren in het marmer met andere stukken marmer van een andere soort op te vullen, moest gezocht worden naar een andere geschikte marmersoort. Tine Schotte van Group Monument: “Op advies van een geologe uit Wallonië hebben we verschillende vervangstenen bekeken, waaronder Rouge Belge, Rouge Royal en Rouge Griotte. Geen van deze soorten bleek echter een volwaardige vervanger voor het unieke Beauchâteau.”

En toen kreeg het consortium te maken met een mazzeltje. “Dankzij onze leverancier kwamen we in contact met een natuursteenbedrijf die nog enkele blokken Beauchâteau op voorraad had liggen. Door dit mazzeltje konden we de grote lacunes met de originele steen opvullen, die uiteraard perfect aansloot bij de historische plint”, aldus Joukes.

Primeur Stadhuis Antwerpen

Bij de restauratie van de plint van het Stadhuis van Antwerpen is gebruik gemaakt van een primeur.  Schotte legt uit wat deze inhoudt: “Om die holtes op te vullen, hebben we eerst een 3D-scan van de schade van de gevel gemaakt. Op die manier hebben we elk stukje gemeten dat moet worden aangevuld. Per holte of scheurtje hebben we zo een complexe puntenwolk verkregen. Deze  hebben we met een 3D-tekenprogramma omgezet in een 3D-tekening. Daarna is onze robot aan het werk gegaan. Deze heeft op basis van de tekening met een reusachtige arm een exact stukje uit het nieuwe ontgonnen marmer gefreesd. Dat stukje – een zogenoemde marmerprothese – paste precies  in de holte in het marmer van het stadhuis. De kleur van het vervangstuk werd aan de hand van een stalenrange bepaald om zo goed mogelijk aan te sluiten bij het omringende materiaal. Er werden zes kleurstalen vastgelegd, variërend van dieprood tot grijs met witte aders tot heel licht van kleur. Een steenhouwer heeft vervolgens de stukjes in de gevel verlijmd en gepolijst tot het helemaal goed zat. Deze manier van werken is helemaal nieuw. De robot wordt al langer gebruikt voor het vervaardigen van natuurstenen onderdelen, maar nog nooit om dergelijke beschadigingen aan bouwkundig erfgoed op deze manier te restaureren. Dat is een primeur.”

Anastylose

De techniek die bij het opvullen van de lacunes is gebruikt, wordt volgens Schotte anastylose genoemd. “Dit betekent het weder opbouwen van uiteengevallen monumenten met de oorspronkelijke onderdelen. Bij onderdelen van de plint die te grote schade vertoonden, hebben we de hele cassette vervangen, als één groot inboetstuk. Hierbij hebben we de voegnaad zo fijn mogelijk gehouden. De stukken zijn op drie zijden – de onder- en zijkanten – in de kalkmortel geplaatst en vervolgens via een holte in de bovenkant opgegoten met een vloeibare kalkmortel.”

Voor de restauratie van de plint van het Stadhuis in Antwerpen zijn zoals beschreven verschillende restauratietechnieken gebruikt. “Deze combinatie van restauratietechnieken garandeert een maximaal behoud van het reeds aanwezige materiaal. Bovendien zorgde deze doordachte aanpak ervoor dat de plint weer in zijn oude glorie is hersteld, waarbij de noodzakelijk ingrepen nagenoeg onzichtbaar opgaan in het geheel”, besluit Schotte.  

Dit artikel is gepubliceerd in NATUURSTEEN 1-2022. Nog geen abonnee? Klik hier!